Gedrag en oordeel

Gedrag of Oordeel?


Het is stil in het lokaal. De klas maakt een toets. Henk, de docent, kijkt rond.
Hij ziet hoe Stefanie haar hoofd in de richting van het blaadje van haar buurvrouw draait. “Je spiekt Stefanie, lever je blaadje maar in” zegt Henk. Stefanie draait haar hoofd met een ruk in de richting van Henk en kijkt hem recht in de ogen. “Dat is niet waar, echt niet. Ik lever mijn blaadje niet in. ” De ogen van een aantal  leerlingen richt zich op het gesprek, enkele anderen kijken op het blaadje van de buren.

Heeft Stefanie gespiekt? Benoemt Henk het feitelijke gedrag van Stefanie of geeft hij zijn oordeel?
Oefening: Gedrag of Oordeel?
1. De leerling luistert niet.
2. Mijn collega wiebelt op zijn stoel.
3. Mijn baas is ontevreden.
4. Hij loopt de deur uit.


In het dagelijks leven beschouwen de meeste mensen alle vier de uitspraken als een gedragsbeschrijving.
Maar, uitspraak 1 en 3 zijn oordelen interpretaties, subjectieve beschrijvingen van een waarneming. Uitspraak 2 en 4 zijn objectieve gedragsbeschrijvingen.
Ad 1: Docent geeft les. De leerling kijkt uit het raam. Interpretatie: de leerling luistert niet. Zeker weet je het niet: uit het raam kijken en luisteren kan heel goed samengaan.
Ad 2: Als je ervan uitgaat dat wiebelen voor iedereen hetzelfde betekent, is het een objectieve gedragsbeschrijving.
Ad 3: De baas kijkt toe terwijl je aan het werk bent. Hij fronst zijn wenkbrauwen. Interpretatie: De baas is ontevreden. Maar misschien heeft hij kriebel in zijn wenkbrauw(en).
Ad 4: Dit is een objectieve beschrijving van de waarneming. Je ziet hem lopen en door de deur gaan. Iedereen in de ruimte die dit ziet, zal hetzelfde waarnemen: Hij loopt de deur uit.

Oordelen, interpretaties, subjectieve waarnemingen zijn persoonsgebonden. Spreek je je oordeel uit over de ander, dan kun je daarmee reacties als: "Hoezo, waarom zeg je dat?" en "Wie ben jij om over mij te oordelen? " oproepen. Je oordelen uitspreken, zeker met weglating van de bijbehorende gedragsbeschrijving, vertroebelt de communicatie.

In onze cultuur beoordelen en interpreteren we er op los. Het vergt oefening om het onderscheid tussen gedrag en oordeel te kunnen maken en je oordeel niet uit te spreken. Het vereist oefening om gedrag, de feitelijke waarneming waarop je je oordeel baseert, vlot te beschrijven.